
Vervoer over water in Hardinxveld-Giessendam met schouwen & aken
2 oktober 2026 om 11:12 HistorieHARDINXVELD-GIESSENDAM Het waterrijke gebied van Hardinxveld-Giessendam bestaat van oorsprong uit polders. In Hardinxveld is sprake van twee polders: De Bovenpolder en de Benedenpolder. Giessendam is verdeeld in drie polders, Polder Broek, Midden Blok en Binnen Tiendweg. Elk van die polders werd bestuurd door een polderbestuur, een beetje vergelijkbaar met het gemeentebestuur.
In die polders lagen kavels grond (onder meer weiland), die door sloten waren gescheiden. Aan de kant van de dijk stond een huis en de kavels liepen door tot aan de volgende dijk, de achterdijk. Door de vele sloten was varen de meest geëigende manier van vervoer in de polders. Met een schouw. Een vaartuigje met platte bodem, dat ooit op heel veel plaatsen in het gebied werd aangetroffen.
BEMALEN LAND
Na de ontginning van het gebied in de middeleeuwen bleek al snel dat de waterafvoer een probleem werd. Door de aanleg van dijken trachtte men het natte land in de polders te beschermen tegen buitenwater. Het regen- en grondwater werd constant afgevoerd op de buitendijkse rivieren. Polders liggen wat hoger dan hun directe omgeving, maar blijven kwetsbaar. Een polder is ‘bemalen land’, ook wel ‘bedijkt land’ genoemd. Het woord komt van pol, in de betekenis van verhoogd land. Denk aan een graspol. Dat bemalen land werd polre genoemd, wat uiteindelijk polder werd.

Vervoer over water in de polder
ONTGINNING
De plek waar nu Hardinxveld-Giessendam ligt, was tot in de elfde eeuw onderdeel van een moerasgebied met talloze ruigten. Elk etmaal was er tweemaal eb en vloed, waarbij het weglopende water sedimenten (zand, grind en takken) achterliet. De Utrechtse bisschop gaf in de elfde eeuw de opdracht om het gebied te ontginnen. Als eerste in het noordoosten. Later voegde de Hollandse graaf zich hierbij, met ontginning vanuit het zuidwesten. Pioniers die het aandurfden maakten akkers, groeven voor de afvoer van het overtollige water sloten en greppels om tenslotte hun gebied te omdijken. Dat gebeurde allemaal met zeer eenvoudige gereedschappen. Zelfs kruiwagens waren nog onbekend. Graaf Floris V van Holland bevestigde in 1277 het onderhoud van de dijken met een charter.
VIJFTIENDE EEUW
Al snel nadat het nieuwe gebied ontstond, bleek de wateroverlast een probleem. Bij hoog water als veel smeltwater uit het oosten kwam. Of uit het westen als stormen het water opstuwden. Tegelijkertijd speelde de afvoer van het regenwater uit het gebied. Voorkomen moest worden dat het te drassig werd om graan op te telen. Een ander gevaar was de daling van de bodem. Het gebied bestond vooral uit veen. Dat heeft de neiging om in te klinken. Doordat aan de bovenkant door het afsterven van planten en struiken steeds meer materiaal kwam te liggen, werd de onderkant door het toenemende gewicht ineengedrukt. Daarbij werd ook water uit de massa geperst. Hoe meer gewicht van bovenaf, hoe platter de onderkant wordt. Veen is net dikke zwarte yoghurt

Mooi nostalgisch plaatje van het vervoer van melkbussen over water
VEETEELT
Het overtollige water werd steeds meer een probleem. Menigeen zocht een andere manier van leven. Ze gingen er een koetje bij houden. Soms twee. Daarmee ontstond een gemengd bedrijf. Enerzijds de teelt van graan en anderzijds het houden van vee. Dat gaf soelaas, maar het probleem bleef en uiteindelijk gingen de boeren in die tijd helemaal over op veeteelt. De zuidelijke rand van de Alblasserwaard bleef te drassig door kwelwater onder de dijk door. Hierdoor kwam in Hardinxveld en omgeving de griendteelt op, omdat wilgen wel tegen natte voeten kunnen. Generatie op generatie zorgden de boeren voor hun landerijen. Ze waren destijds voor hun eigen voedsel verantwoordelijk, dus geheel zelfvoorzienend. Tot voor enkele decennia waren de vele volkstuinen langs de spoorlijn hier een voorbeeld van. Ook eigenaren van grotere stukken grond verhuurden graag dergelijke akkers.
SCHOUWEN EN AKEN
Voor het vervoer in het waterrijke gebied werden speciale houten bootjes ontwikkeld, platbodemschuiten: schouwen en aken. Met behulp van zo’n boerenschouw of polderschouw kon men de verder afgelegen weilanden bereiken. Om er te gaan melken. De schouw werd ook gebruikt voor het wegbrengen van de mest van de boerderij naar die verder gelegen landerijen en weilanden. In de Hardinxveldse polder was de (griend) aak bij uitstek geschikt voor het vervoer van griendhout. Dat werd in de griendakkers gehakt, op schelven gezet en vervolgens vervoerd naar de zogenaamde schelfplaats aan de Parallelweg. Tot aan de oorlog lag er in de talloze sloten achter de dijklinten nogal eens een polderschouw. De schouw werd voortgeduwd of geboomd met een lange boomstok, een kloet. Maar er waren er ook die werden geroeid of getrokken.




















