
Statussymbool of niet
7 juli 2023 om 09:30 ColumnEven naar het depot om de post op te halen, op de terugweg naar mijn wijk word ik tegen gehouden door wat motormuizen met gele hesjes aan die druk staan te gebaren naar het aankomende verkeer dat ze op moeten schieten. Ze zetten heel het kruispunt af want er komen wat grote bakken aan, de een nog groter dan de ander en met het bijbehorende ronkend geluid natuurlijk, want je moet toch laten horen aan de medemens dat je wat fatsoenlijks onder de motorkap hebt zitten. Aan het milieu denken we even niet en dat het net zo duur is als een mooi huis maakt ook niet uit, want je moet het toch laten zien dat je het goed hebt en het breed laat hangen. De eerste vier gieren over het kruispunt en dan komt er een kleine grijze Kia, met een net zo grijze man erin aan in de verte, ondertussen is er een vrouw op de fiets naast me komen staan die ik ken. Ik geniet wel van het uitzicht, maar zij vindt er niks aan zegt ze.
Dan zien we samen de grijze Kia met zijn sukkeldrafje aankomen en we schieten alle twee in de lach, want het tempo dat hij rijdt vinden we alle twee geweldig. Ik zeg dat ik hem wel goed ken, want het is mijn echtgenoot die ons niet ziet. Achter hem zit nog meer statusblik vol ongeduld herrie te maken, maar daar stoort hij zich natuurlijk niet aan, zoals het hoort. Als ze dan eindelijk allemaal voorbij zijn kan ik ook door met mijn werk, dat redelijk vlot verloopt want het is zaterdag.
Bijna klaar denk ik dan want het wordt steeds warmer en dan zie ik hem. Hij woont pas in het huis en zet er direct zijn stempel op, wat ik best wel mooi vind. Naast het huis staat een oude auto van een jaar of dertig of nog ouder, waar hij rustig zijn ding mee doet, met de motorkap open omdat hij er vaak aan sleutelt. Spullen die worden in het raamkozijn gelegd, waarschijnlijk de eerste beste plek die hij kan vinden, voor de rest is het huis vrij leeg, geen bank of kast te zien.
Hij zegt vriendelijk en zeer beleefd een goede dag en ik wens hem dat terug. De dag ervoor kwam ik hem een straat verder tegen, toen was het een graad of zevenentwintig en de stoep zelf is waarschijnlijk paar graatjes warmer. Hij liep op zijn gemakje op blote voeten met een ondefinieerbaar hemd en korte broek en in zijn hand had hij een tweedehands kinderfietsje. Ik vroeg hem of dat dat niet heel erg warm is zo op zijn blote voeten op de straat, ,,nee hoor”, zegt hij, ,,ik ben het gewend.”
Om hem tien minuten later met zijn getatoeëerde blote bovenlijf te zien liggen op straat terwijl hij kijkt of een uitlaat wel onder zijn ouwe auto past. Ik wil hem de post geven, maar de uitlaat die hij net in zijn hand heeft zit in de weg, hij zegt gooi maar neer die onzin.
Ja, ik mag hem wel. Hij doet lekker zijn eigen ding en het zal hem een zorg zijn wat een ander van hem denkt in dit christelijke en nette dorp.
[Postbode Juultje
















